Bevolking groeit nauwelijks
Van 1995 - 2000 groeide de beroepsbevolking met 9 procent. In de periode 2001 - 2006 was die groei nog maar 2,4 procent. En omdat deze lijn zich doorzet moeten Nederlandse bedrijven vanaf 2012 rekening houden met flinke knelpunten.  De bevolkingsgroei is in de afgelopen eeuw niet eerder zo laag geweest. In het tweede kwartaal van 2006 was er zelfs sprake van een afname. Niet eerder liet een kwartaalcijfer bevolkingskrimp zien. Nederland is een van de weinige landen van de Europese Unie met een vertrekoverschot. Alleen Polen, Litouwen, Letland en Estland kenden in 2005 ook een vertrekoverschot. Tussen 2005 en 2025 zal de Nederlandse bevolking nog met ongeveer 630 duizend personen toenemen. Deze bevolkingsgroei zal zich concentreren in het westen van het land.

Ontgroening
Het aantal geboortes is na het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw fors gedaald. Het nieuwe gezin met twee kinderen verdrong al snel het traditionele grote gezin. Sindsdien is het gemiddeld aantal kinderen per vrouw verder gedaald. Verdergaande individualisering, de emancipatie van vrouwen, een toenemende deelname van vrouwen aan het arbeidsproces en uitstel van de geboorte van het eerste kind dragen daaraan bij. Het lage kindertal per vrouw heeft onder meer te maken met het ‘uitstelgedrag’ van veel vrouwen. De gemiddelde leeftijd van vrouwen bij de geboorte van het eerste kind lag in Nederland in 2004 bij 29,4 jaar. In 1970 lag deze gemiddelde leeftijd nog op 24,3 jaar. Hoewel er sprake is van een Europese trend, zijn Nederlandse moeders op dit moment de oudsten van Europa.

De potentiële beroepsbevolking van Nederland verandert in de toekomst niet alleen van omvang, maar ook van leeftijdssamenstelling. Het aantal jongeren (20 – 34 jaar) zal vrijwel constant blijven. Het aantal mensen op de “middenleeftijden” (35 – 49 jaar) zal echter tot 2025 fors dalen, met ongeveer 20%. Het aantal ouderen in de beroepsbevolking (50 – 65 jaar) zal daarentegen met 15% aanzienlijk stijgen.
Arbeidsdeelname oudere werknemers.
Over de ontwikkeling van de arbeidsdeelname van oudere werknemers in de afgelopen periode valt op zichzelf veel positiefs te zeggen. Zo laat de arbeidsdeelname van ouderen, in de leeftijd van 55 – 64 jaar, een forse stijging zien: van 24% in 1993 naar 40% in 2004. De arbeidsdeelname van vrouwen in deze leeftijdscategorie is zelfs meer dan verdubbeld (van 11% in 1993 naar 26% in 2004). De arbeidsdeelname van oudere mannen is eveneens sterk toegenomen, van 38% naar 54%.